Anna van der Hulst
Willem de Vries
Tessa Roseboom
Arne Popma
Foto: GGD Amsterdam
Anna van der Hulst is directeur van de GGD Amsterdam. Daarvoor werkte ze onder meer als zorgmanager in OLVG en Amsterdam UMC. Ze is een van de twaalf leden van de Maatschappelijke Raad van Advies die Amsterdam UMC adviseert over maatschappelijke impact.
Als directeur van de grootste GGD van Nederland heeft Anna van der Hulst een pittige opdracht in de omslag ‘van zorg naar gezondheid’ en het vergroten van kansengelijkheid voor toekomstige generaties. Daarin is een grote rol weggelegd voor de wetenschap, zegt ze, maar evengoed voor de verpleegkundige aan het bed. “Als academisch ziekenhuis heb je belangrijke sleutels in handen.”
‘We staan op de schouders van onze voorouders’. Dat geldt zeker ook voor organisaties als de GGD en Amsterdam UMC. Grondleggers als Catharine van Tussenbroek, Samuel Sarphati en Samuel de Ranitz hebben niet alleen de zorg, maar ook de leefomstandigheden en aandacht voor kansarmoede in Amsterdam veranderd. “Zij bekommerden zich om de allerkwetsbaarsten in deze stad”, zegt Anna van der Hulst. “Ze zagen de verbanden tussen hoe mensen leefden en de uitbraken van infectieziekten. Ze begrepen dat ze niet het probleem van het individu, maar de problematiek in de stad moesten aanpakken – niet alleen een kinderziekenhuis bouwen, maar óók riolering aanleggen.”
Die benadering – “durf, lef, moed” – zit nog steeds in het dna van de Amsterdamse GGD, zei je elders al.
“In de heroineperiode draaide iedereen zijn rug naar de verslaafde mensen toe; wij gaven ze methadon en schone naalden, haalden het uit de criminaliteit en maakten zo de stad leefbaarder voor iedereen. In plaats van mensen met hiv als paria’s te behandelen, zoals vaak gebeurde in de eerste periode, zette de GGD met Amsterdam UMC een cohortstudie op om het virus te volgen en gedragsverandering te onderzoeken. Kijken wat nodig is, óók als dat tegen conventies ingaat: wij durven het en ons stadsbestuur is er beslist niet bang voor. Ik vind dat Amsterdam als hoofdstad die rol in de voorhoede ‘van ziekte naar gezondheid’ moet pakken. De Amsterdamse GGD is de kanarie in de kolenmijn: onze mensen zien de problemen als eerste. Voor Amsterdam UMC is het logisch om direct naast die kanarie te zitten en van daaruit onderzoek te doen.”
’Valorisatie is in deze veranderende maatschappij belangrijker dan ooit.’
Zo is Amsterdam als eerste in Nederland begonnen met het programma Kansrijke start.
“En dat is dus precies wat nodig is: een samenwerking tussen de wetenschap, de gemeente, de GGD en alle instanties rondom jonge gezinnen. Alleen zo kun je kansenongelijkheid aanpakken. Juist in die eerste 1000 dagen waarin je de grootste winst kunt behalen voor het hele verdere mensenleven. De GGD ziet alle kinderen van nul tot achttien jaar in deze stad en wij willen een krachtige wetenschappelijke basis voor ons handelen. Voor Amsterdam UMC is samenwerken met de GGD tegelijk een entree naar beleid en het sociale domein. Elkaar opzoeken, uitproberen, onderzoeken, en dan uitrollen in het hele land…. Dit is het preciés.”
Hoe kan Amsterdam UMC de missie van de GGD ondersteunen?
“Het is onze gedeelde missie om meer kansengelijkheid te realiseren als het gaat om gezondheid. Als je kijkt naar de ‘kansenkaart’, dan zie je dat Nederland ongelooflijk slecht in staat is om voor kinderen die in sociaaleconomisch kwetsbare gezinnen opgroeien gelijke kansen te creëren, ook in hun latere leven. De gezondheidsverschillen nemen zelfs eerder toe dan af, omdat hoogopgeleiden adviezen eerder omarmen en zo de kloof nog vergroten. Want gezondheidsdeterminanten komen vooral voort uit levensomstandigheden: of je toegang hebt tot informatie, of je woning en buurt gezond en veilig zijn, of je de mogelijkheid hebt om stress te reduceren… Daarom moeten we ons als gezondheidsvechters ook samen bemoeien met andere terreinen, juist om te voorkómen dat mensen ziek worden. Daar heeft de academie een heel belangrijke rol in. Ik zou ongelooflijk graag meer gedeelde hoogleraren hebben. Onderzoekers met een brugfunctie, die een paar dagen per week bij ons ‘met hun voeten in de modder staan’. Want wat je wilt is dat zo iemand de doelgroep met eigen ogen ziet, weet wat alle sociale partijen doen en van binnenuit begrijpt wat nodig is in het stelsel.”
Waarom is de wetenschap daarin zo belangrijk?
“Het vertrouwen in de overheid is afgenomen, maar wetenschappers worden wel degelijk nog als invloedrijk en geloofwaardig gezien. Het helpt dus om een titel voor je naam te hebben staan om het publieke debat te beïnvloeden. Valorisatie, maatschappelijke impact maken vanuit de academie, is in deze veranderende maatschappij belangrijker dan ooit. Ten eerste: om zichtbaar te maken dat je interventies helpen, zeker als het gaat om preventie, zodat je kunt legitimeren dat er middelen voor vrijgemaakt worden. Ten tweede: om kennis te delen waar gewone mensen wat aan hebben. Onderschat niet de invloed van een item in Het Klokhuis waarin een hoogleraar vertelt over poep: iedereen, ook kinderen die je anders nooit bereikt, had het erover. Vanuit je kennis slimme tips en eenvoudige handvatten delen met het grote publiek: er is zoveel laaghangend fruit om gezond gedrag te stimuleren! Dan gaat het niet meer over ziekte, maar over gezondheid en veerkracht.”
’Voorvechters van gezondheid moeten zich met andere maatschappelijke terreinen bemoeien om er mee voor te zorgen dat mensen niet ziek worden.’
Hoe kunnen GGD en Amsterdam UMC elkaar nog meer versterken?
“Wij hebben een heel fijnmazig, professioneel opgebouwd, netwerk van informele leiders en sleutelfiguren in lokale gemeenschappen. Dat zijn mensen die werkelijk tractie kunnen krijgen bij mensen in de meest kwetsbare situaties, omdat ze dezelfde taal spreken. Dat is een kracht die je moet benutten. Andersom hebben hulpverleners aan het bed in het ziekenhuis ook een belangrijke sleutel in handen. Hét moment waarop mensen openstaan voor adviezen en gedragsverandering, is als ze ziek zijn of net een kind hebben gekregen. Een verpleegkundige kan zien: deze vrouw is eenzaam, er komt niemand op bezoek, ze heeft na haar ontslag verdere hulp nodig. En dan komt het erop aan dat je de weg weet in het sociale domein om dat te regelen. Dat geldt ook voor mensen bij wie je een drankprobleem vermoedt, of schuldenproblematiek. Amsterdam UMC kan gidsend zijn in die routing naar het sociale domein. De protocollen van de Spoedeisende Hulp zijn al jaren richtinggevend voor de hele regio; waarom protocollen hierover dan niet? We moeten het samen doen. Dat ‘schaken op meerdere borden tegelijk’, dat fijnmazige netwerk van contacten over en weer, het inbrengen van gezondheid in andere beleidsterreinen: dát is de ‘riolering’ van vandaag in deze stad. De nieuwe basis voor een gezonde toekomst.”
Anna van der Hulst
Willem de Vries
Tessa Roseboom
Arne Popma
Foto's: David van Dartel
Willem de Vries is kinderarts-neonatoloog, hoogleraar Kindergeneeskunde, hoofd van het Emma Kinderziekenhuis en voorzitter van de divisie Vrouw-Kind van Amsterdam UMC.
“Mijn morgen begint vandaag”, zegt Willem de Vries. “Alles wat we nu doen, rekent door naar de toekomst. We moeten vandaag onderzoek doen om de zorg van morgen te verbeteren. We moeten vandaag de mensen opleiden die deze zorg gaan geven. Die urgentie en die verantwoordelijkheid voel ik heel sterk. En we kunnen het niet alleen.”
Vanuit zijn werkkamer op de zevende verdieping van het Emma Kinderziekenhuis kan hij precies aanwijzen waar het om gaat. Daar: Schiphol. Daar: de Zuidas. Daar: de Bijlmer. Het ligt zo dicht bij elkaar, maar de verschillen zijn groot: in inkomen, in leefomstandigheden, in kansen. En dus, zegt De Vries, kan een ziekenhuis dat gespecialiseerd is in zorg voor kinderen, in zorg voor toekomstige generaties, niet alleen naar binnen gericht zijn. “Om de grote gezondheidsvraagstukken aan te pakken, moeten we buiten de ziekenhuismuren aan de slag.”
Is dat de taak van een universitair medisch centrum?
De Vries: “Academische ziekenhuizen zijn lang vooral intern gericht geweest, op de derdelijnszorg. Maar we hebben als kennisinstituut ook een verantwoordelijkheid voor de wereld om ons heen. Mensen uit de Bijlmer moeten hier kunnen binnenlopen, en als ze geen derdelijnszorg nodig hebben moeten wij ervoor zorgen dat ze op de juiste plek terechtkomen. Dat betekent dat we met regionale ziekenhuizen, met huisartsen, met consultatiebureaus en andere partners, samen de zorg delen. Niet alleen om de capaciteit optimaal te benutten maar ook om de zorg inhoudelijk te verbeteren. En ook om te voorkómen dat mensen in het ziekenhuis terechtkomen – en dat vraagt een nog bredere maatschappelijke samenwerking.”
’Impact maken kan op zoveel manieren.’
Hoe pak je die samenwerking aan?
“Vooral niet – en dat is belangrijk! – door te denken dat je als academisch ziekenhuis ‘weet hoe het moet’. En ook niet door iets van mensen te willen. How can we help?: dát is de vraag die wij moeten stellen. Wat heeft de ander van ons nodig, wat kunnen we van elkaar leren, hoe kan het contact voor beide partijen wat toevoegen? Dan heb je een heel ander gesprek.
Kijk, wij zijn een grote organisatie; we kunnen kennis, kunde en mensen leveren. Denk aan onderzoekers die in deeltijd in een andere organisatie aangesteld worden. Aan onze kinderartsen die de wethouder kunnen vertellen wat de gevolgen zijn van slechte luchtkwaliteit op de gezondheid van onze patiënten. Aan onze artsen die samen met de GGD de informatievoorziening over vaccinaties verbeteren voor bepaalde doelgroepen. Of aan het initiatief van een van onze jonge artsen om onderzoek te doen naar het effect van ‘niet-meetbare zorg’ aan vluchtelingen. Het gaat erom dat we mensen verbinden zodat ze samen nog meer impact maken.”
Een visie die terugkomt in de meerjarenstrategie A Healthy Future for All. Merk je dat er daardoor meer momentum ontstaat?
“Veel mensen hier waren al met die maatschappelijke impact bezig vanuit eigen overtuiging. Ik denk dat het zeker helpt dat we het als Amsterdam UMC nu expliciet in onze strategie hebben staan. Het geeft deze mensen de bevestiging dat deze manier van impact maken ook goed is én noodzakelijk. We zijn primair een ziekenhuis, zorg is onze eerste verantwoordelijkheid. Om goede zorg te kunnen bieden, nu en in de toekomst, moeten we mensen opleiden. En om die zorg te verbeteren moeten we onderzoek doen. In die volgorde, wat mij betreft. Op die drie gebieden kun je excelleren en ‘valoriseren’. Impact is dus zeker niet alleen terug te zien in je h-index, in het aantal publicaties en promoties. Impact maken kan evengoed met zorgevaluatieonderzoek, met nieuwe manieren van opleiden of door waarde toe te voegen in de samenleving. Dat betekent ook dat je mensen de ruimte moet geven om het op een andere manier te doen.”
Ruimte en flexibiliteit bieden aan collega’s is onderdeel van A Healthy Future for All. Wat betekent het voor Amsterdam UMC als werkgever?
“Dat we een innovatiesubsidie hebben voor WeCare zegt al hoe we hier in staan. We willen de meest gezinsvriendelijke werkgever van Nederland worden. We zijn begonnen met een rondvraag over wat mensen nodig hebben in hun werk om ook goed voor hun gezin – en wat mij betreft breder: hun familie – te kunnen zorgen. Dat gaat van kolfkamers tot kinderopvang, en van andere roosters tot ondersteunen bij de terugkeer naar het werk na zwangerschapsverlof. Vervolgens moeten we als werkgever flexibel nadenken over de mogelijkheden. Niet alles zal kunnen, maar ‘nee’ is voor mij toch altijd een trigger om te onderzoeken: waarom niet?
Ik heb ooit een introductiestuk geschreven over een gezonde privé-werkbalans. Ik kreeg als correctie terug: ‘het is werk-privébalans’. Terwijl ik het bewust zo had opgeschreven. Die volgorde zegt veel over hoe wij in de samenleving naar prioriteiten kijken, ook op de werkvloer.”
Hoe ziet het Emma Kinderziekenhuis van de toekomst eruit?
“Om daarover na te denken, gaan we Future Design toepassen. Dat betekent dat we het vormgeven vanuit het perspectief van mensen die nu leven, en juist ook vanuit het perspectief van toekomstige generaties. Bij elke beslissing die we nemen, nadenken over de impact ervan op de kansen van toekomstige generaties: wie kan daarin beter de trend zetten dan het Emma?”
Je gaf al aan: er is veel te doen. Tegelijk verandert de wereld in sneltreinvaart – en bepaald niet altijd ten goede van volgende generaties. Hoe houd je hoop voor de toekomst?
“Als hoofd van dit kinderziekenhuis én als vader denk ik ook weleens: waar gaat deze wereld naartoe? Maar mijn glas is altijd driekwart vol. Ik kan de wereld niet veranderen, maar ik heb nu eenmaal een rol waarin ik mogelijkheden en ingangen heb, waardoor ik net iets meer kan bijdragen dan anderen. Laat ik dat dan vooral ook doen. Over ruim zes jaar ga ik met pensioen. Dan wil ik een organisatie achterlaten waar mensen graag werken, een organisatie die haar zorgtaken kan waarmaken, die een brede blik naar buiten heeft, en die eraan bijdraagt dat het beter gaat met het welbevinden van mensen, ook mentaal. Dat is best een grote ambitie nu ik het zo zeg. Er is nog zoveel te doen. Dat bedoel ik dus met die urgentie: we kunnen geen tijd verliezen.”
Anna van der Hulst
Willem de Vries
Tessa Roseboom
Arne Popma
Foto: Marieke de Lorijn
Als eerste academisch ziekenhuis ter wereld heeft Amsterdam UMC een Commissaris voor Toekomstige Generaties. Voor Tessa Roseboom, hoogleraar Vroege ontwikkeling en Gezondheid, was dat een logische volgende stap. “Hoe meer ik uit onze onderzoeken leerde, hoe meer ik me afvroeg: waarom wordt er zo weinig met die kennis gedaan? Niemand is namelijk tégen een goede start van het leven. Alleen weten we niet goed hoe we daar zelf en samen voor kunnen zorgen.”
Die verbindende pioniersrol is haar op het lijf geschreven. Het was een hink-stap-sprong in een paar jaar tijd: van de conclusies van het >Hongerwinteronderzoek<, naar het landelijk programma >Kansrijke Start<, naar deze sprong in het diepe als Commissaris voor Toekomstige Generaties. Het werd mogelijk door een interessante parallelle ontwikkeling. Enerzijds groeide de kennis uit wetenschappelijk onderzoek, kennis die Roseboom hielp vertalen naar beleid. Anderzijds kwam de internationale beweging op gang die de belangen van toekomstige generaties betrekt bij de beslissingen van vandaag. Nu komt het allemaal samen.
Roseboom: “Het lijkt snel gegaan, maar ik ben al dertig jaar geleden begonnen met het Hongerwinteronderzoek. Gaandeweg werd duidelijk hoe groot de invloed op de latere gezondheid is van de omgeving waarin een kind zich vóór de geboorte en in de eerste levensjaren ontwikkelt. Dat betekent ook dat wij vandaag de kansen voor de toekomst vormgeven voor de kinderen die nog niet geboren zijn. En dat we hen een stem moeten geven in onze beslissingen en acties. Ik bundelde onze wetenschappelijke inzichten in een boek over de eerste 1000 dagen. Bij de overhandiging daarvan aan toenmalig minister van Volksgezondheid Hugo de Jonge werd ik uitgenodigd om mee te denken over het landelijke programma >Kansrijke Start<. Dat was, behalve een prachtige kans, ook een belangrijk leerproces voor mij.”
Wat leerde je van die samenwerking met beleidsmakers?
“Vooral dat je als wetenschapper niet alleen moet praten over het bewijs dat je gevonden hebt. Dat is relevant, maar niet genoeg om beleid te maken. It takes a village to raise a child, luidt het gezegde. Die village moet je dus ook actief betrekken. Met Kansrijke Start hebben we dat gedaan door landelijk beleid in alle gemeenten uit te rollen. Door te praten met wethouders, huisartsen, schuldhulpverleners, jeugdverpleegkundigen. Dat is óók je taak als wetenschapper: die verbinding opzoeken, uitvragen waarom stakeholders in hun praktijk doen wat ze doen. En uitvinden waar hun hart sneller van gaat kloppen. Want iedereen wil het goede doen, maar het is niet altijd duidelijk hoe dat kan. Mijn presentaties aan Kamerleden begin ik met: ‘wat maakt dat jullie tijd voor mij reserveren?’, want in dat antwoord schuilt hun eigenlijke vraag aan mij. Pas als je elkaars behoeften en obstakels begrijpt, kun je een gezamenlijk verhaal schrijven en over de hobbel van het kortetermijndenken heen komen. Al blijft geld altijd nog een dramatisch stukje van het gesprek.”
Rond dezelfde tijd kwam de VN met de Declaration on Future Generations.
“In de afgelopen jaren is internationaal erkend dat we in ons beleid en onze acties van vandaag de belangen van toekomstige generaties moeten meewegen. Vanuit het Institute of Advanced Studies organiseerde ik een reeks gesprekken met wetenschappers, beleidsmakers en maatschappelijke organisaties over hoe we de belangen van toekomstige generaties mee kunnen nemen en hoe wetenschap, praktijk en beleid elkaar daarin kunnen versterken. Vanwege mijn onderzoek en die gesprekken werd ik gevraagd om input te leveren voor het VN-document waarin die uitgangspunten geformuleerd zijn.
Tegelijk werkten we in Amsterdam UMC aan een nieuwe meerjarenstrategie waarin ‘maatschappelijke impact maken’ een prominentere plek kreeg. Daar wilde ik heel graag een actieve rol in voor toekomstige generaties. En zo kon ik als eerste Commissaris voor Toekomstige Generaties van een academisch ziekenhuis naar de VN en aanwezig zijn bij de ondertekening van de Declaration on Future Generations. En mag ik gaan uitvinden hoe wij die VN-verklaring kunnen vertalen naar de dagelijkse praktijk in Amsterdam UMC.”
Een ziekenhuis biedt zorg aan de patiënten van nu. Hoe verhoudt zich dat tot de aandacht voor toekomstige generaties?
“Dat is geen tegenstelling. Ja, we willen mensen die nu ziek zijn, beter maken. Maar we moeten ook zorgen voor een leefomgeving waarin mensen gezond kunnen blijven. Dat draagt ertoe bij dat de gezondheidszorg toegankelijk blijft voor de mensen die het straks nodig hebben.”
Hoe omschrijf je je taak als Commissaris voor Toekomstige Generaties?
“De ambitie is om met wetenschap een bijdrage te leveren aan de transitie naar een duurzame toekomst, met focus op gezondheid vanaf het allerprilste begin. We willen impact maken op de samenleving door daarover kennis te genereren, te delen en in praktijk te brengen. Om uiteindelijk te zorgen voor een omgeving waarin toekomstige generaties hun potentieel ten volle kunnen ontwikkelen. Idealiter maakt het in de toekomst niet meer uit waar je wieg heeft gestaan voor je kansen later in het leven. Het is nog een uitdaging om dat goed te kaderen, omdat het zo’n breed terrein is en er zo veel te doen is.”
1 Kennis ontwikkelen
2 Kennis delen
3 Kennis in praktijk brengen
4 Strategieontwikkeling
Welke aspecten van deze opdracht worden nu al gerealiseerd in Amsterdam UMC?
“Kennis genereren betekent dat we onderzoek doen én de inzichten bundelen van de vele onderzoeken en projecten in Amsterdam UMC die al kunnen bijdragen aan een gezonde toekomst. Vervolgens moeten we die kennis overbrengen, naar beleidsmarkers, gezondheidsprofessionals en het brede publiek. Dat narratief is zeker iets waar we mee aan de slag moeten. Het is ook onze wens en onze intentie om meer impact te maken in de praktijk. We kijken met welke stakeholders we hiervoor allianties kunnen aangaan; lokaal, landelijk en internationaal. Tegelijk moeten we uitvinden hoe wij dat zelf gaan doen: rekening houden met toekomstige generaties. Zo hebben we voor het schrijven van onze meerjarenstrategie een aantal vraagstukken vanuit Future Design benaderd. En hebben we intern een programma lopen voor collega’s met een jong gezin of die mantelzorgen, om als werkgever beter aan te sluiten op hun behoeften.”
Tessa Roseboom, Commissaris voor Toekomstige Generaties in Amsterdam UMC
Tot slot die ene vraag ook aan jou: waarom gaat jouw hart hier sneller van kloppen?
“Ik realiseer me heel goed dat ik veel kansen te danken heb aan waar mijn wiegje toevallig heeft gestaan. Dat lot in de geboorteloterij gun ik iedereen. Ik vind dat ik volop van mijn kansen gebruik moet maken om dát voor elkaar te krijgen. Mijn oma was net zo’n nieuwsgierig en ambitieus meisje als ik. Zij moest op haar negende van school; ik kon op mijn veertigste hoogleraar worden. Het verschil van twee generaties. Dat is ergens verdrietig en ergens ook hoopvol: zo veel kan er dus in relatief korte tijd veranderen. Dat geeft mij een enorme drive.”
Luistertip
In deze podcastserie ging Tessa Roseboom in gesprek met onderzoekers, beleidsmakers, kunstenaars en maatschappelijke actoren over hun professionele en persoonlijke drijfveren om bij te dragen aan intergenerationele solidariteit en gerechtigheid. De reeks kwam tot stand in samenwerking met het Institute for Advanced Study van de Universiteit van Amsterdam (2024).
Foto: Marieke de Lorijn
Anna van der Hulst
Willem de Vries
Tessa Roseboom
Arne Popma
Foto's: Martijn Gijsbertsen
Arne Popma is hoogleraar Kinder- en Jeugdpsychiatrie en hoofd van de afdeling Psychiatrie in Amsterdam UMC.
Mentale problemen vormen in 2030 wereldwijd de grootste ziektelast, volgens de Wereldgezondheidsorganisatie. Ze beginnen vaak al vroeg in het leven en kunnen jarenlang doorwerken, en zelfs worden overgedragen op volgende generaties. “Het raakt niet alleen individuen, maar de hele samenleving. We moeten daarom nu de mentale gezondheid collectief bevorderen en beschermen”, stelt Arne Popma.
Je vergelijkt de inspanningen die vandaag nodig zijn met de aanleg van riolering anderhalve eeuw geleden.
“De volksgezondheid maakte daardoor toen een grote sprong voorwaarts. Het werd duidelijk dat infectieziektes een grote impact hadden op de levensduur, de levenskwaliteit en de gezondheid in het algemeen. Er kwam een breed gedeeld besef dat het probleem gezamenlijk moest worden opgelost. Dat leidde tot investeringen in een omvangrijke publieke infrastructuur, in riolering, in schoon drinkwater. Ik denk dat de tijd rijp is om de mentale gezondheid op eenzelfde manier collectief aan te pakken. Niet alleen voor de generaties van nu, maar ook voor hun kinderen. Want ook hiervoor geldt: als we nu de omstandigheden verbeteren, betekent dat een grote sprong voorwaarts voor de gezondheid van volgende generaties.”
Wat is daarin de taak van Amsterdam UMC?
“Het is de taak van umc’s om samen met maatschappelijke partners te werken aan oplossingen voor problemen in de samenleving. We moeten onze kennis beschikbaar stellen en uitwisselen, om gezamenlijk te komen tot oplossingen die de publieke gezondheid kunnen verbeteren. En er is al heel veel kennis. We weten bijvoorbeeld dat de mentale volksgezondheid er enorm bij gebaat is als mensen niet te veel stress hebben over geld, als ouders opvoedhulp kunnen krijgen, als kinderen minder gepest worden op school. Door zulke zaken aan te pakken - en wat mij betreft doen we dat in een meerjarig nationaal programma - is er enorme winst te boeken. Maar het is niet morgen opgelost en daarom moeten we nu gaan investeren. Om te beginnen in de jeugd, want driekwart van de problemen begint vóór het vijfentwintigste levensjaar.”
’We kunnen samen met andere partijen een ecosysteem vormen dat de mentale volksgezondheid versterkt.’
Wat kan de academische psychiatrie daarin betekenen?
“De psychiatrie is er voor mensen met ernstige mentale problemen. Als umc blijven we voor hen zorgen en onderzoek doen naar nieuwe behandelingen en zorgverbetering. Niet alleen om mentale problemen te behandelen, maar ook om overdracht te voorkomen, bijvoorbeeld bij (aanstaande) ouders met mentale gezondheidsproblemen. Daarnaast moeten we met andere partijen veel meer gaan bijdragen aan de maatschappij als geheel om mentale problemen te helpen voorkómen, ook voor de toekomst. Samen kunnen we een ecosysteem vormen dat de volksgezondheid versterkt. Zorgen dat jongeren voldoende veerkracht hebben om het leven met al z’n ups en downs goed aan te kunnen: dat is een taak van het ecosysteem als geheel.”
Meer inzetten op preventie dus?
“Bij veel jongeren die ik zie, denk ik: was er maar eerder hulp voor jou geweest. Juist omdat jongeren zich zo snel ontwikkelen, is stilstand al snel achteruitgang. Een tegenslag kan een vicieuze cirkel op gang brengen waardoor een probleem uitgroeit tot een verzameling van problemen of een ernstige stoornis - door een negatief effect op het zelfbeeld, vereenzaming, slechte schoolprestaties enzovoort. Terwijl dat misschien voorkomen had kunnen worden, of minder uit de hand was gelopen, met tijdige hulp. Dus ja, voorkomen is beter dan genezen. En waarschijnlijk geldt dat niet alleen voor deze jongeren zelf, maar ook voor volgende generatie waar zij straks de ouders van zijn.”
Hoe pak je dat aan?
“Het vergt nieuwsgierigheid van ons, nieuwsgierigheid om ons te verhouden tot de snel veranderende wereld waarin jongeren leven. We moeten vooral niet voor hen bedenken wat goed is. We moeten het henzelf vragen en onze kennis dán inbrengen. En we moeten die kennis brengen naar de plekken waar ze wél komen: scholen, wijken, sportclubs, online platforms. Dat geldt trouwens breder: mensen willen een warme, betrokken psychiatrie mét specifieke wetenschappelijke kennis. Dat kunnen en moeten we zijn.”
Je noemt het ‘liefdevolle psychiatrie midden in de maatschappij’
“Het woord ‘liefdevol vat het naar mijn idee goed samen. Een voorwaarde voor goede zorg is dat mensen zich gehoord en gezien weten, dat ze voelen dat er oprechte aandacht is. Niet alleen in onze zorgverlening, het geldt ook voor ons wetenschappelijk onderzoek: wij kunnen met wetenschappelijke argumenten opkomen voor mensen die niet gezien of gehoord worden. We proberen ook steeds meer onze opleiding en ons onderwijs zo in te richten dat de psychiaters van de toekomst deze maatschappelijke blik meenemen in hun denken over het vak. En andersom: studenten van nu maken zich zorgen en willen actief bijdragen aan een betere toekomst. Zij leren ons veel over de leefwereld van de jongeren van vandaag. Liefdevol zijn én kennis ontwikkelen: in de combinatie van die twee aspecten zit onze meerwaarde.”
Anna van der Hulst
Willem de Vries
Tessa Roseboom
Arne Popma
Foto: GGD Amsterdam
Anna van der Hulst is directeur van de GGD Amsterdam. Daarvoor werkte ze onder meer als zorgmanager in OLVG en Amsterdam UMC. Ze is een van de twaalf leden van de Maatschappelijke Raad van Advies die Amsterdam UMC adviseert over maatschappelijke impact.
Als directeur van de grootste GGD van Nederland heeft Anna van der Hulst een pittige opdracht in de omslag ‘van zorg naar gezondheid’ en het vergroten van kansengelijkheid voor toekomstige generaties. Daarin is een grote rol weggelegd voor de wetenschap, zegt ze, maar evengoed voor de verpleegkundige aan het bed. “Als academisch ziekenhuis heb je belangrijke sleutels in handen.”
‘We staan op de schouders van onze voorouders’. Dat geldt zeker ook voor organisaties als de GGD en Amsterdam UMC. Grondleggers als Catharine van Tussenbroek, Samuel Sarphati en Samuel de Ranitz hebben niet alleen de zorg, maar ook de leefomstandigheden en aandacht voor kansarmoede in Amsterdam veranderd. “Zij bekommerden zich om de allerkwetsbaarsten in deze stad”, zegt Anna van der Hulst. “Ze zagen de verbanden tussen hoe mensen leefden en de uitbraken van infectieziekten. Ze begrepen dat ze niet het probleem van het individu, maar de problematiek in de stad moesten aanpakken – niet alleen een kinderziekenhuis bouwen, maar óók riolering aanleggen.”
Die benadering – “durf, lef, moed” – zit nog steeds in het dna van de Amsterdamse GGD, zei je elders al.
“In de heroineperiode draaide iedereen zijn rug naar de verslaafde mensen toe; wij gaven ze methadon en schone naalden, haalden het uit de criminaliteit en maakten zo de stad leefbaarder voor iedereen. In plaats van mensen met hiv als paria’s te behandelen, zoals vaak gebeurde in de eerste periode, zette de GGD met Amsterdam UMC een cohortstudie op om het virus te volgen en gedragsverandering te onderzoeken. Kijken wat nodig is, óók als dat tegen conventies ingaat: wij durven het en ons stadsbestuur is er beslist niet bang voor. Ik vind dat Amsterdam als hoofdstad die rol in de voorhoede ‘van ziekte naar gezondheid’ moet pakken. De Amsterdamse GGD is de kanarie in de kolenmijn: onze mensen zien de problemen als eerste. Voor Amsterdam UMC is het logisch om direct naast die kanarie te zitten en van daaruit onderzoek te doen.”
’Valorisatie is in deze veranderende maatschappij belangrijker dan ooit.’
Zo is Amsterdam als eerste in Nederland begonnen met het programma Kansrijke start.
“En dat is dus precies wat nodig is: een samenwerking tussen de wetenschap, de gemeente, de GGD en alle instanties rondom jonge gezinnen. Alleen zo kun je kansenongelijkheid aanpakken. Juist in die eerste 1000 dagen waarin je de grootste winst kunt behalen voor het hele verdere mensenleven. De GGD ziet alle kinderen van nul tot achttien jaar in deze stad en wij willen een krachtige wetenschappelijke basis voor ons handelen. Voor Amsterdam UMC is samenwerken met de GGD tegelijk een entree naar beleid en het sociale domein. Elkaar opzoeken, uitproberen, onderzoeken, en dan uitrollen in het hele land…. Dit is het preciés.”
Hoe kan Amsterdam UMC de missie van de GGD ondersteunen?
“Het is onze gedeelde missie om meer kansengelijkheid te realiseren als het gaat om gezondheid. Als je kijkt naar de ‘kansenkaart’, dan zie je dat Nederland ongelooflijk slecht in staat is om voor kinderen die in sociaaleconomisch kwetsbare gezinnen opgroeien gelijke kansen te creëren, ook in hun latere leven. De gezondheidsverschillen nemen zelfs eerder toe dan af, omdat hoogopgeleiden adviezen eerder omarmen en zo de kloof nog vergroten. Want gezondheidsdeterminanten komen vooral voort uit levensomstandigheden: of je toegang hebt tot informatie, of je woning en buurt gezond en veilig zijn, of je de mogelijkheid hebt om stress te reduceren… Daarom moeten we ons als gezondheidsvechters ook samen bemoeien met andere terreinen, juist om te voorkómen dat mensen ziek worden. Daar heeft de academie een heel belangrijke rol in. Ik zou ongelooflijk graag meer gedeelde hoogleraren hebben. Onderzoekers met een brugfunctie, die een paar dagen per week bij ons ‘met hun voeten in de modder staan’. Want wat je wilt is dat zo iemand de doelgroep met eigen ogen ziet, weet wat alle sociale partijen doen en van binnenuit begrijpt wat nodig is in het stelsel.”
Waarom is de wetenschap daarin zo belangrijk?
“Het vertrouwen in de overheid is afgenomen, maar wetenschappers worden wel degelijk nog als invloedrijk en geloofwaardig gezien. Het helpt dus om een titel voor je naam te hebben staan om het publieke debat te beïnvloeden. Valorisatie, maatschappelijke impact maken vanuit de academie, is in deze veranderende maatschappij belangrijker dan ooit. Ten eerste: om zichtbaar te maken dat je interventies helpen, zeker als het gaat om preventie, zodat je kunt legitimeren dat er middelen voor vrijgemaakt worden. Ten tweede: om kennis te delen waar gewone mensen wat aan hebben. Onderschat niet de invloed van een item in Het Klokhuis waarin een hoogleraar vertelt over poep: iedereen, ook kinderen die je anders nooit bereikt, had het erover. Vanuit je kennis slimme tips en eenvoudige handvatten delen met het grote publiek: er is zoveel laaghangend fruit om gezond gedrag te stimuleren! Dan gaat het niet meer over ziekte, maar over gezondheid en veerkracht.”
’Voorvechters van gezondheid moeten zich met andere maatschappelijke terreinen bemoeien om er mee voor te zorgen dat mensen niet ziek worden.’
Hoe kunnen GGD en Amsterdam UMC elkaar nog meer versterken?
“Wij hebben een heel fijnmazig, professioneel opgebouwd, netwerk van informele leiders en sleutelfiguren in lokale gemeenschappen. Dat zijn mensen die werkelijk tractie kunnen krijgen bij mensen in de meest kwetsbare situaties, omdat ze dezelfde taal spreken. Dat is een kracht die je moet benutten. Andersom hebben hulpverleners aan het bed in het ziekenhuis ook een belangrijke sleutel in handen. Hét moment waarop mensen openstaan voor adviezen en gedragsverandering, is als ze ziek zijn of net een kind hebben gekregen. Een verpleegkundige kan zien: deze vrouw is eenzaam, er komt niemand op bezoek, ze heeft na haar ontslag verdere hulp nodig. En dan komt het erop aan dat je de weg weet in het sociale domein om dat te regelen. Dat geldt ook voor mensen bij wie je een drankprobleem vermoedt, of schuldenproblematiek. Amsterdam UMC kan gidsend zijn in die routing naar het sociale domein. De protocollen van de Spoedeisende Hulp zijn al jaren richtinggevend voor de hele regio; waarom protocollen hierover dan niet? We moeten het samen doen. Dat ‘schaken op meerdere borden tegelijk’, dat fijnmazige netwerk van contacten over en weer, het inbrengen van gezondheid in andere beleidsterreinen: dát is de ‘riolering’ van vandaag in deze stad. De nieuwe basis voor een gezonde toekomst.”
Anna van der Hulst
Willem de Vries
Tessa Roseboom
Arne Popma
Foto's: David van Dartel
Willem de Vries is kinderarts-neonatoloog, hoogleraar Kindergeneeskunde, hoofd van het Emma Kinderziekenhuis en voorzitter van de divisie Vrouw-Kind van Amsterdam UMC.
“Mijn morgen begint vandaag”, zegt Willem de Vries. “Alles wat we nu doen, rekent door naar de toekomst. We moeten vandaag onderzoek doen om de zorg van morgen te verbeteren. We moeten vandaag de mensen opleiden die deze zorg gaan geven. Die urgentie en die verantwoordelijkheid voel ik heel sterk. En we kunnen het niet alleen.”
Vanuit zijn werkkamer op de zevende verdieping van het Emma Kinderziekenhuis kan hij precies aanwijzen waar het om gaat. Daar: Schiphol. Daar: de Zuidas. Daar: de Bijlmer. Het ligt zo dicht bij elkaar, maar de verschillen zijn groot: in inkomen, in leefomstandigheden, in kansen. En dus, zegt De Vries, kan een ziekenhuis dat gespecialiseerd is in zorg voor kinderen, in zorg voor toekomstige generaties, niet alleen naar binnen gericht zijn. “Om de grote gezondheidsvraagstukken aan te pakken, moeten we buiten de ziekenhuismuren aan de slag.”
Is dat de taak van een universitair medisch centrum?
De Vries: “Academische ziekenhuizen zijn lang vooral intern gericht geweest, op de derdelijnszorg. Maar we hebben als kennisinstituut ook een verantwoordelijkheid voor de wereld om ons heen. Mensen uit de Bijlmer moeten hier kunnen binnenlopen, en als ze geen derdelijnszorg nodig hebben moeten wij ervoor zorgen dat ze op de juiste plek terechtkomen. Dat betekent dat we met regionale ziekenhuizen, met huisartsen, met consultatiebureaus en andere partners, samen de zorg delen. Niet alleen om de capaciteit optimaal te benutten maar ook om de zorg inhoudelijk te verbeteren. En ook om te voorkómen dat mensen in het ziekenhuis terechtkomen – en dat vraagt een nog bredere maatschappelijke samenwerking.”
’Impact maken kan op zoveel manieren.’
Hoe pak je die samenwerking aan?
“Vooral niet – en dat is belangrijk! – door te denken dat je als academisch ziekenhuis ‘weet hoe het moet’. En ook niet door iets van mensen te willen. How can we help?: dát is de vraag die wij moeten stellen. Wat heeft de ander van ons nodig, wat kunnen we van elkaar leren, hoe kan het contact voor beide partijen wat toevoegen? Dan heb je een heel ander gesprek.
Kijk, wij zijn een grote organisatie; we kunnen kennis, kunde en mensen leveren. Denk aan onderzoekers die in deeltijd in een andere organisatie aangesteld worden. Aan onze kinderartsen die de wethouder kunnen vertellen wat de gevolgen zijn van slechte luchtkwaliteit op de gezondheid van onze patiënten. Aan onze artsen die samen met de GGD de informatievoorziening over vaccinaties verbeteren voor bepaalde doelgroepen. Of aan het initiatief van een van onze jonge artsen om onderzoek te doen naar het effect van ‘niet-meetbare zorg’ aan vluchtelingen. Het gaat erom dat we mensen verbinden zodat ze samen nog meer impact maken.”
Een visie die terugkomt in de meerjarenstrategie A Healthy Future for All. Merk je dat er daardoor meer momentum ontstaat?
“Veel mensen hier waren al met die maatschappelijke impact bezig vanuit eigen overtuiging. Ik denk dat het zeker helpt dat we het als Amsterdam UMC nu expliciet in onze strategie hebben staan. Het geeft deze mensen de bevestiging dat deze manier van impact maken ook goed is én noodzakelijk. We zijn primair een ziekenhuis, zorg is onze eerste verantwoordelijkheid. Om goede zorg te kunnen bieden, nu en in de toekomst, moeten we mensen opleiden. En om die zorg te verbeteren moeten we onderzoek doen. In die volgorde, wat mij betreft. Op die drie gebieden kun je excelleren en ‘valoriseren’. Impact is dus zeker niet alleen terug te zien in je h-index, in het aantal publicaties en promoties. Impact maken kan evengoed met zorgevaluatieonderzoek, met nieuwe manieren van opleiden of door waarde toe te voegen in de samenleving. Dat betekent ook dat je mensen de ruimte moet geven om het op een andere manier te doen.”
Ruimte en flexibiliteit bieden aan collega’s is onderdeel van A Healthy Future for All. Wat betekent het voor Amsterdam UMC als werkgever?
“Dat we een innovatiesubsidie hebben voor WeCare zegt al hoe we hier in staan. We willen de meest gezinsvriendelijke werkgever van Nederland worden. We zijn begonnen met een rondvraag over wat mensen nodig hebben in hun werk om ook goed voor hun gezin – en wat mij betreft breder: hun familie – te kunnen zorgen. Dat gaat van kolfkamers tot kinderopvang, en van andere roosters tot ondersteunen bij de terugkeer naar het werk na zwangerschapsverlof. Vervolgens moeten we als werkgever flexibel nadenken over de mogelijkheden. Niet alles zal kunnen, maar ‘nee’ is voor mij toch altijd een trigger om te onderzoeken: waarom niet?
Ik heb ooit een introductiestuk geschreven over een gezonde privé-werkbalans. Ik kreeg als correctie terug: ‘het is werk-privébalans’. Terwijl ik het bewust zo had opgeschreven. Die volgorde zegt veel over hoe wij in de samenleving naar prioriteiten kijken, ook op de werkvloer.”
Hoe ziet het Emma Kinderziekenhuis van de toekomst eruit?
“Om daarover na te denken, gaan we Future Design toepassen. Dat betekent dat we het vormgeven vanuit het perspectief van mensen die nu leven, en juist ook vanuit het perspectief van toekomstige generaties. Bij elke beslissing die we nemen, nadenken over de impact ervan op de kansen van toekomstige generaties: wie kan daarin beter de trend zetten dan het Emma?”
Je gaf al aan: er is veel te doen. Tegelijk verandert de wereld in sneltreinvaart – en bepaald niet altijd ten goede van volgende generaties. Hoe houd je hoop voor de toekomst?
“Als hoofd van dit kinderziekenhuis én als vader denk ik ook weleens: waar gaat deze wereld naartoe? Maar mijn glas is altijd driekwart vol. Ik kan de wereld niet veranderen, maar ik heb nu eenmaal een rol waarin ik mogelijkheden en ingangen heb, waardoor ik net iets meer kan bijdragen dan anderen. Laat ik dat dan vooral ook doen. Over ruim zes jaar ga ik met pensioen. Dan wil ik een organisatie achterlaten waar mensen graag werken, een organisatie die haar zorgtaken kan waarmaken, die een brede blik naar buiten heeft, en die eraan bijdraagt dat het beter gaat met het welbevinden van mensen, ook mentaal. Dat is best een grote ambitie nu ik het zo zeg. Er is nog zoveel te doen. Dat bedoel ik dus met die urgentie: we kunnen geen tijd verliezen.”
Anna van der Hulst
Willem de Vries
Tessa Roseboom
Arne Popma
Foto: Marieke de Lorijn
Als eerste academisch ziekenhuis ter wereld heeft Amsterdam UMC een Commissaris voor Toekomstige Generaties. Voor Tessa Roseboom, hoogleraar Vroege ontwikkeling en Gezondheid, was dat een logische volgende stap. “Hoe meer ik uit onze onderzoeken leerde, hoe meer ik me afvroeg: waarom wordt er zo weinig met die kennis gedaan? Niemand is namelijk tégen een goede start van het leven. Alleen weten we niet goed hoe we daar zelf en samen voor kunnen zorgen.”
Die verbindende pioniersrol is haar op het lijf geschreven. Het was een hink-stap-sprong in een paar jaar tijd: van de conclusies van het >Hongerwinteronderzoek<, naar het landelijk programma >Kansrijke Start<, naar deze sprong in het diepe als Commissaris voor Toekomstige Generaties. Het werd mogelijk door een interessante parallelle ontwikkeling. Enerzijds groeide de kennis uit wetenschappelijk onderzoek, kennis die Roseboom hielp vertalen naar beleid. Anderzijds kwam de internationale beweging op gang die de belangen van toekomstige generaties betrekt bij de beslissingen van vandaag. Nu komt het allemaal samen.
Roseboom: “Het lijkt snel gegaan, maar ik ben al dertig jaar geleden begonnen met het Hongerwinteronderzoek. Gaandeweg werd duidelijk hoe groot de invloed op de latere gezondheid is van de omgeving waarin een kind zich vóór de geboorte en in de eerste levensjaren ontwikkelt. Dat betekent ook dat wij vandaag de kansen voor de toekomst vormgeven voor de kinderen die nog niet geboren zijn. En dat we hen een stem moeten geven in onze beslissingen en acties. Ik bundelde onze wetenschappelijke inzichten in een boek over de eerste 1000 dagen. Bij de overhandiging daarvan aan toenmalig minister van Volksgezondheid Hugo de Jonge werd ik uitgenodigd om mee te denken over het landelijke programma >Kansrijke Start<. Dat was, behalve een prachtige kans, ook een belangrijk leerproces voor mij.”
Wat leerde je van die samenwerking met beleidsmakers?
“Vooral dat je als wetenschapper niet alleen moet praten over het bewijs dat je gevonden hebt. Dat is relevant, maar niet genoeg om beleid te maken. It takes a village to raise a child, luidt het gezegde. Die village moet je dus ook actief betrekken. Met Kansrijke Start hebben we dat gedaan door landelijk beleid in alle gemeenten uit te rollen. Door te praten met wethouders, huisartsen, schuldhulpverleners, jeugdverpleegkundigen. Dat is óók je taak als wetenschapper: die verbinding opzoeken, uitvragen waarom stakeholders in hun praktijk doen wat ze doen. En uitvinden waar hun hart sneller van gaat kloppen. Want iedereen wil het goede doen, maar het is niet altijd duidelijk hoe dat kan. Mijn presentaties aan Kamerleden begin ik met: ‘wat maakt dat jullie tijd voor mij reserveren?’, want in dat antwoord schuilt hun eigenlijke vraag aan mij. Pas als je elkaars behoeften en obstakels begrijpt, kun je een gezamenlijk verhaal schrijven en over de hobbel van het kortetermijndenken heen komen. Al blijft geld altijd nog een dramatisch stukje van het gesprek.”
Rond dezelfde tijd kwam de VN met de Declaration on Future Generations.
“In de afgelopen jaren is internationaal erkend dat we in ons beleid en onze acties van vandaag de belangen van toekomstige generaties moeten meewegen. Vanuit het Institute of Advanced Studies organiseerde ik een reeks gesprekken met wetenschappers, beleidsmakers en maatschappelijke organisaties over hoe we de belangen van toekomstige generaties mee kunnen nemen en hoe wetenschap, praktijk en beleid elkaar daarin kunnen versterken. Vanwege mijn onderzoek en die gesprekken werd ik gevraagd om input te leveren voor het VN-document waarin die uitgangspunten geformuleerd zijn.
Tegelijk werkten we in Amsterdam UMC aan een nieuwe meerjarenstrategie waarin ‘maatschappelijke impact maken’ een prominentere plek kreeg. Daar wilde ik heel graag een actieve rol in voor toekomstige generaties. En zo kon ik als eerste Commissaris voor Toekomstige Generaties van een academisch ziekenhuis naar de VN en aanwezig zijn bij de ondertekening van de Declaration on Future Generations. En mag ik gaan uitvinden hoe wij die VN-verklaring kunnen vertalen naar de dagelijkse praktijk in Amsterdam UMC.”
Foto: Marieke de Lorijn
Een ziekenhuis biedt zorg aan de patiënten van nu. Hoe verhoudt zich dat tot de aandacht voor toekomstige generaties?
“Dat is geen tegenstelling. Ja, we willen mensen die nu ziek zijn, beter maken. Maar we moeten ook zorgen voor een leefomgeving waarin mensen gezond kunnen blijven. Dat draagt ertoe bij dat de gezondheidszorg toegankelijk blijft voor de mensen die het straks nodig hebben.”
Hoe omschrijf je je taak als Commissaris voor Toekomstige Generaties?
“De ambitie is om met wetenschap een bijdrage te leveren aan de transitie naar een duurzame toekomst, met focus op gezondheid vanaf het allerprilste begin. We willen impact maken op de samenleving door daarover kennis te genereren, te delen en in praktijk te brengen. Om uiteindelijk te zorgen voor een omgeving waarin toekomstige generaties hun potentieel ten volle kunnen ontwikkelen. Idealiter maakt het in de toekomst niet meer uit waar je wieg heeft gestaan voor je kansen later in het leven. Het is nog een uitdaging om dat goed te kaderen, omdat het zo’n breed terrein is en er zo veel te doen is.”
1 Kennis ontwikkelen
2 Kennis delen
3 Kennis in praktijk brengen
4 Strategieontwikkeling
Welke aspecten van deze opdracht worden nu al gerealiseerd in Amsterdam UMC?
“Kennis genereren betekent dat we onderzoek doen én de inzichten bundelen van de vele onderzoeken en projecten in Amsterdam UMC die al kunnen bijdragen aan een gezonde toekomst. Vervolgens moeten we die kennis overbrengen, naar beleidsmarkers, gezondheidsprofessionals en het brede publiek. Dat narratief is zeker iets waar we mee aan de slag moeten. Het is ook onze wens en onze intentie om meer impact te maken in de praktijk. We kijken met welke stakeholders we hiervoor allianties kunnen aangaan; lokaal, landelijk en internationaal. Tegelijk moeten we uitvinden hoe wij dat zelf gaan doen: rekening houden met toekomstige generaties. Zo hebben we voor het schrijven van onze meerjarenstrategie een aantal vraagstukken vanuit Future Design benaderd. En hebben we intern een programma lopen voor collega’s met een jong gezin of die mantelzorgen, om als werkgever beter aan te sluiten op hun behoeften.”
We moeten onze acties van vandaag ondernemen alsof de levens van toekomstige generaties ervan afhangen. Omdat het ook zo is.’
Tessa Roseboom, Commissaris voor Toekomstige Generaties in Amsterdam UMC
Tot slot die ene vraag ook aan jou: waarom gaat jouw hart hier sneller van kloppen?
“Ik realiseer me heel goed dat ik veel kansen te danken heb aan waar mijn wiegje toevallig heeft gestaan. Dat lot in de geboorteloterij gun ik iedereen. Ik vind dat ik volop van mijn kansen gebruik moet maken om dát voor elkaar te krijgen. Mijn oma was net zo’n nieuwsgierig en ambitieus meisje als ik. Zij moest op haar negende van school; ik kon op mijn veertigste hoogleraar worden. Het verschil van twee generaties. Dat is ergens verdrietig en ergens ook hoopvol: zo veel kan er dus in relatief korte tijd veranderen. Dat geeft mij een enorme drive.”
Luistertip
In deze podcastserie ging Tessa Roseboom in gesprek met onderzoekers, beleidsmakers, kunstenaars en maatschappelijke actoren over hun professionele en persoonlijke drijfveren om bij te dragen aan intergenerationele solidariteit en gerechtigheid. De reeks kwam tot stand in samenwerking met het Institute for Advanced Study van de Universiteit van Amsterdam (2024).
Anna van der Hulst
Willem de Vries
Tessa Roseboom
Arne Popma
Arne Popma is hoogleraar Kinder- en Jeugdpsychiatrie en hoofd van de afdeling Psychiatrie in Amsterdam UMC.
Foto's: Martijn Gijsbertsen
Mentale problemen vormen in 2030 wereldwijd de grootste ziektelast, volgens de Wereldgezondheidsorganisatie. Ze beginnen vaak al vroeg in het leven en kunnen jarenlang doorwerken, en zelfs worden overgedragen op volgende generaties. “Het raakt niet alleen individuen, maar de hele samenleving. We moeten daarom nu de mentale gezondheid collectief bevorderen en beschermen”, stelt Arne Popma.
Je vergelijkt de inspanningen die vandaag nodig zijn met de aanleg van riolering anderhalve eeuw geleden.
“De volksgezondheid maakte daardoor toen een grote sprong voorwaarts. Het werd duidelijk dat infectieziektes een grote impact hadden op de levensduur, de levenskwaliteit en de gezondheid in het algemeen. Er kwam een breed gedeeld besef dat het probleem gezamenlijk moest worden opgelost. Dat leidde tot investeringen in een omvangrijke publieke infrastructuur, in riolering, in schoon drinkwater. Ik denk dat de tijd rijp is om de mentale gezondheid op eenzelfde manier collectief aan te pakken. Niet alleen voor de generaties van nu, maar ook voor hun kinderen. Want ook hiervoor geldt: als we nu de omstandigheden verbeteren, betekent dat een grote sprong voorwaarts voor de gezondheid van volgende generaties.”
Wat is daarin de taak van Amsterdam UMC?
“Het is de taak van umc’s om samen met maatschappelijke partners te werken aan oplossingen voor problemen in de samenleving. We moeten onze kennis beschikbaar stellen en uitwisselen, om gezamenlijk te komen tot oplossingen die de publieke gezondheid kunnen verbeteren. En er is al heel veel kennis. We weten bijvoorbeeld dat de mentale volksgezondheid er enorm bij gebaat is als mensen niet te veel stress hebben over geld, als ouders opvoedhulp kunnen krijgen, als kinderen minder gepest worden op school. Door zulke zaken aan te pakken - en wat mij betreft doen we dat in een meerjarig nationaal programma - is er enorme winst te boeken. Maar het is niet morgen opgelost en daarom moeten we nu gaan investeren. Om te beginnen in de jeugd, want driekwart van de problemen begint vóór het vijfentwintigste levensjaar.”
’We kunnen samen met andere partijen een ecosysteem vormen dat de mentale volksgezondheid versterkt.’
Wat kan de academische psychiatrie daarin betekenen?
“De psychiatrie is er voor mensen met ernstige mentale problemen. Als umc blijven we voor hen zorgen en onderzoek doen naar nieuwe behandelingen en zorgverbetering. Niet alleen om mentale problemen te behandelen, maar ook om overdracht te voorkomen, bijvoorbeeld bij (aanstaande) ouders met mentale gezondheidsproblemen. Daarnaast moeten we met andere partijen veel meer gaan bijdragen aan de maatschappij als geheel om mentale problemen te helpen voorkómen, ook voor de toekomst. Samen kunnen we een ecosysteem vormen dat de volksgezondheid versterkt. Zorgen dat jongeren voldoende veerkracht hebben om het leven met al z’n ups en downs goed aan te kunnen: dat is een taak van het ecosysteem als geheel.”
Meer inzetten op preventie dus?
“Bij veel jongeren die ik zie, denk ik: was er maar eerder hulp voor jou geweest. Juist omdat jongeren zich zo snel ontwikkelen, is stilstand al snel achteruitgang. Een tegenslag kan een vicieuze cirkel op gang brengen waardoor een probleem uitgroeit tot een verzameling van problemen of een ernstige stoornis - door een negatief effect op het zelfbeeld, vereenzaming, slechte schoolprestaties enzovoort. Terwijl dat misschien voorkomen had kunnen worden, of minder uit de hand was gelopen, met tijdige hulp. Dus ja, voorkomen is beter dan genezen. En waarschijnlijk geldt dat niet alleen voor deze jongeren zelf, maar ook voor volgende generatie waar zij straks de ouders van zijn.”
Hoe pak je dat aan?
“Het vergt nieuwsgierigheid van ons, nieuwsgierigheid om ons te verhouden tot de snel veranderende wereld waarin jongeren leven. We moeten vooral niet voor hen bedenken wat goed is. We moeten het henzelf vragen en onze kennis dán inbrengen. En we moeten die kennis brengen naar de plekken waar ze wél komen: scholen, wijken, sportclubs, online platforms. Dat geldt trouwens breder: mensen willen een warme, betrokken psychiatrie mét specifieke wetenschappelijke kennis. Dat kunnen en moeten we zijn.”
Je noemt het ‘liefdevolle psychiatrie midden in de maatschappij’
“Het woord ‘liefdevol vat het naar mijn idee goed samen. Een voorwaarde voor goede zorg is dat mensen zich gehoord en gezien weten, dat ze voelen dat er oprechte aandacht is. Niet alleen in onze zorgverlening, het geldt ook voor ons wetenschappelijk onderzoek: wij kunnen met wetenschappelijke argumenten opkomen voor mensen die niet gezien of gehoord worden. We proberen ook steeds meer onze opleiding en ons onderwijs zo in te richten dat de psychiaters van de toekomst deze maatschappelijke blik meenemen in hun denken over het vak. En andersom: studenten van nu maken zich zorgen en willen actief bijdragen aan een betere toekomst. Zij leren ons veel over de leefwereld van de jongeren van vandaag. Liefdevol zijn én kennis ontwikkelen: in de combinatie van die twee aspecten zit onze meerwaarde.”